Welkom.Over ons.PvdA.Politiek.Links.Contact.
Antwerpen 18/11/2009

Noëlla kon er niet bij zijn wegens ziekte, en daarom was er een plaatsje vrij voor onze PvdA-makker en gitaarspeler Kurt  om een legendarische groep aan het werk te zien: Deep Purple. Het artistieke zwaartepunt van de groep ligt in de seventies, toen ze samen met andere pioniers als Black Sabbath en Led Zeppelin het ultieme hardrocktriumviraat vormde dat aan de oorsprong lag van wat we vandaag heavy metal noemen. Niettemin is Deep Purple een kat met zeven levens. Sinds haar ontstaan in 1968 heeft ze zangers en bassisten zien komen en gaan. Zelfs het vertrek van sleutelfiguren als Richie Blackmore en Jon Lord wist haar niet kapot te krijgen. De jongste cd van het vijftal dateert inmiddels al van 2005, maar tegen februari wordt er een nieuwe aangekondigd. Van ademnood is dus voorlopig geen sprake.
Door haar historische betekenis  blijft ze tot de verbeelding spreken. Dat verklaart waarom de Lotto Arena woensdag tot de nok was gevuld met toeschouwers die garant stonden voor een warme ontvangst.Bovendien stond in Antwerpen drievijfde van de populairste line-up van de band op het podium, met zanger Ian Gillan, bassist Roger Glover en drummer Ian Paice. Gitarist Steve Morse kwam erbij in 1994, terwijl toetsenman Don Airey zich pas sinds 2002 een vast groepslid mag noemen. Beide muzikanten toonden zich echter zo beslagen dat geen mens hun grote voorgangers miste.

Deep Purple speelde een twee uur durende set die voor zowat de helft uit seventiesklassiekers bestond. Hoewel het materiaal uit de nineties en noughties bleekjes afsteekt tegen het oudere werk, siert het de groep dat ze weigert uitsluitend op haar vroegere successen te teren. De meeste leden mogen de zestig dan voorbij zijn, het speelplezier was manifest en nooit voelde het gezelschap de behoefte zijn heil te zoeken in visuele krachtpatserij.
Prijsbeesten als 'Highway Star', 'Strange Kind of Woman' of 'Fireball' klauwden als vanouds: het stuwende baswerk van Glover en de stormramdrums van Paice legden een onwrikbaar fundament voor de welbespraakte dialogen tussen Morse en Airey. Gillan had aanvankelijk wat moeite met de hoogste noten, maar de man beschikte over genoeg bevlogenheid en professionele trucs om zijn beperkingen niet al te fel te laten doorwegen en tragere nummers ('Wasted Sunsets','The Battle Rages On')en het bluesgeoriënteerde spul: 'Maybe I'm a Leo', gestut door een swingende boogiepiano, en het op een onweerstaanbare groove geplante 'No One Came'. 'Rapture of the Deep' herbergde dan weer een oriëntaals slangenbezweerdersmotiefje. Verrassend genoeg spitte Deep Purple met het instrumentale 'Wring that Neck' en de Joe Southcover 'Hush' zelfs enkele songs uit het pre-Gillantijdperk naar boven.Toen Airey even in de schijnwerper mocht waren de Proms dan ook niet veraf.

De finale, met 'Space Truckin'', 'Smoke on the Water' (gebouwd op een van de onsterfelijkste gitaarriffs ooit) en 'Black Night', mocht er wezen, zodat we van een eerbaar, occasioneel zelfs uitstekend concert durven gewagen. Welja, Deep Purple blijkt nog net iets méér te zijn dan een fossiel uit een vervlogen tijdperk.